KA 31: De industriële revolutie als basis voor een industriële samenleving
De industriële revolutie begon rond 1750 in Engeland en zorgde voor een overgang van kleinschalige, ambachtelijke productie naar grootschalige en machinale productie. Dit leidde tot de opkomst van een industriële samenleving.
Belangrijke ontwikkelingen:
- De verbetering van de stoommachine, waardoor productie sneller en efficiënter werd
- De opkomst van fabrieken, wat leidde tot urbanisatie: arbeiders trokken massaal naar steden.
- Door de revolutie groeiden niet alleen de industrie, maar ook de landbouw (agrarische revolutie) en transportsector (transportrevolutie).
- Engeland werd hierdoor het economische middelpunt van de wereld.
KA 32: Discussies over de sociale kwestie
De sociale kwestie draaide om de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders, die in fabrieken werkten onder zware omstandigheden. Dit leidde tot een groot verschil tussen arm en rijk:
- Lage lonen, waardoor arbeiders afhankelijk waren van de armenzorg.
- Kinderarbeid was normaal: het hele gezin moest werken om rond te komen.
- De arbeidersbeweging groeide en leidde tot sociale wetgeving, zoals:
- Het Kinderwetje van Van Houten (1874): verbood kinderarbeid onder de 12 jaar.
- De Arbeidswet (1889): verbood nachtarbeid voor vrouwen en jongeren.
- Arbeiders kwamen in opstand, zoals bij de spoorwegstaking van 1903.
KA 33: Modern imperialisme en de industriële revolutie
Het modern imperialisme hield in dat Europese landen hun macht uitbreidden door kolonies te veroveren en te besturen. Dit stond in direct verband met de industriële revolutie:
- Er was behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten voor de industrie.
- Europese landen rechtvaardigden hun koloniale expansie door te stellen dat zij hun beschaving wilden verspreiden.
- De macht werd vooral militair afgedwongen, vaak met moderne wapens die door industrialisatie waren ontwikkeld.
KA 34: De opkomst van emancipatiebewegingen
Emancipatie betekent dat minderheidsgroepen strijden voor gelijke rechten. In de 19e en 20e eeuw ontstonden meerdere emancipatiebewegingen:
- De schoolstrijd: politieke strijd over de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. In 1917 werd besloten dat beide schooltypen door de overheid werden gefinancierd.
- Het feminisme: vrouwen streden voor gelijke rechten, zoals kiesrecht en gelijke toegang tot onderwijs en werk.